De W E R E L D E N van I J S B R A N D
VII


De hongerwinter

1944 - 45

Thom Thomassen is door een SS-officier ingerekend nadat hij aangifte deed dat er voedsel verdwenen was. Dit wordt opgevat als een beschuldiging van de ingekwartierde SS-soldaten. Hij wordt afgevoerd naar kamp Amersfoort. Voor IJsbrand is op de Stoevenbelt nu geen plaats meer. Henk en Julie Thomassen in 't Joppe zijn nu zo vriendelijk zich over hem te ontfermen. Zij hebben een moderne parterre bungalow met een oliegestookte centrale verwarming die natuurlijk allang geen dienst meer doet. IJsbrand paste vaak op hun jaar oude zoontje Thommy. Soms als er zich een luchtgevecht afspeelt en de ouders niet thuis zijn, houdt hij het kind beschermend vast. Er komt zo nu en dan bezoek. IJsbrand ontdekt dat hij zich in gezelschap weinig concentreren kan. Vooral als aller ogen op hem gevestigd zijn. Een verhaal kan hij dan niet consequent uit vertellen zonder de draad kwijt te raken. Anderen schijnen daar weinig moeite mee te hebben, merkt hij.

Naar school gaan is er nu niet meer bij. De brieven uit Amsterdam komen nu steeds onregelmatiger per Rode Kruis met weken vertraging binnen. Pa heeft al eens geschreven of het niet beter zou zijn als het hele gezin in deze benarde tijden bij elkaar zouden zijn. IJsbrand bemerkt ook wel dat hij steeds meer tot overlast is bij de familie.

Op een zondag komen tante Mieb en oom Thom weer op bezoek. IJsbrand legt het zo aan dat hij met zijn oom alleen kan praten. Hij vertelt over de gevoelens van zijn ouders. Oom Thom zegt opgelucht: "Jongen, ik kan het helemaal begrijpen. Je familie wil je bij zich hebben. Misschien is het beter dat je naar Amsterdam gaat." IJsbrand is verbaasd hoe vlot dat er uitkomt. Alleen hoe komt hij in Amsterdam? Nederland is een soort niemandsland geworden waar openbaar vervoer nauwelijks meer bestaat na de spoorwegstaking. Er worden regelmatig razzia's gehouden om arbeidsgeschikte personen op te pikken voor de Organisatie Todt. IJsbrand valt daar ook al onder en heeft zich eigenlijk al moeten melden om voor de bezetter loopgraven te graven.

Oom Thom komt enige dagen later met de oplossing. Een jongeman van de fabriek gaat naar Amsterdam op de fiets om zijn verloofde te bezoeken en wil IJsbrand wel meenemen. IJsbrand's fiets is gestolen, maar zijn oom heeft ook daarvoor gezorgd. IJsbrand neemt afscheid. Julie omarmt hem. Het geeft hem een warm gevoel dat iemand nog zo om hem geeft. Zullen ze elkaar ooit weer terugzien?

Ze gaan vroeg op pad. Het eerste doel is Voorthuyzen, waar de ouders van Julie, de Schreuels, wonen. Ze geeft IJsbrand een enveloppe met foto's van haar kinderen mee, want die hebben ze een tijd niet gezien. "Verlies ze niet, hoor!" heeft ze hem op het hart gedrukt."Als je dat doet kom ik persoonlijk naar Amsterdam om je te vermoorden!" heeft ze er gekscherend aan toegevoegd.

Het is begin november, maar gelukkig hebben ze helder weer. Hun fietsen zijn afgeladen met spullen gepropt in fietstassen en boodschappentassen aan het stuur. Behalve zijn kleren, heeft IJsbrand nog allerlei eetwaren bij zich. Ze hebben nog niet eens zo lang gereden of ze horen een luide knal achter zich. IJsbrand's band blijkt gesprongen. Hij kijkt er vertwijfeld naar. Een band heeft hij zelden of nooit geplakt. Gelukkig heeft Jan, zijn metgezel, dat wel. Maar het is wel een karwei met dat op en afladen. De binnenband blijkt al talloze malen gerepareerd te zijn en de buitenband vlinderdun, zoals gebruikelijk in die tijd.

Vol goede moed begeven ze zich weer op weg. Maar na een half uur is het alweer mis. Het knallen zal hem blijven achtervolgen en de tocht één lijdensweg van bandenplakken. IJsbrand voelt zich hopeloos. Uitgeput komen ze tegen de avond bij de Schreuels aan in Voorthuyzen. IJsbrand is blij een verrassing voor ze meegebracht te hebben. Hij tast in zijn binnenzak naar de foto's. Weg! Hoe hij ook zoekt ze zijn nergens te vinden. IJsbrand ziet als schrikbeeld al Julie in Amsterdam verschijnen om hem te vermoorden! (Jaren later hoort hij dat een vriendelijke wandelaar ze langs de weg heeft gevonden en alsnog aan de familie doen toekomen!)

Ze slapen die avond bij een boer in de hooiberg.
De volgende dag wordt Amsterdam tegen de schemering bereikt. Jan en IJsbrand's wegen scheiden. Als hij aanbelt op de van Lennepkade wordt niet opengedaan. Er is geen stroom meer. Als hij door tikken op de ruit toch wordt opengedaan is de consternatie groot hem plotseling te zien. Zijn komst heeft hij ook helemaal niet kunnen aankondigen. Pa's ontnuchterende reactie is: "Wat kom je hier doen? Was daar maar gebleven. We hebben hier niets te eten!" Thea verzacht de koude douche. Het is haar altijd een doorn in het oog geweest dat haar zoon Deventer boven het ouderlijke huis verkoos. Er wordt in allerijl een slaapplaats ingeruimd.

Als IJsbrand aankomt in Amsterdam wacht hem een piano (1944)

IJsbrand gaat eerst eens kijken bij zijn oude M.U.L.O. Daar wordt wonder boven wonder nog les gegeven in onverwarmde en onverlichte lokalen. Zij hebben in de vierde klas geheel andere leerboeken. IJsbrand's hoofd staat er weinig naar. Ze weten niet eens of ze het er de komende maanden levend vanaf zullen brengen. Hij haakt al spoedig af. Nog tientallen jaren zal hij dromen van leraren die hem stapels ingewikkelde leerboeken toeschuiven die hij verondersteld wordt de volgende dag al uit zijn hoofd te kennen. Kees gaat nog wel naar de vijfde klas lagere school, maar stopt daar ook mee als het koud begint te worden.

IJsbrand doet nog een poging om de stroom weer aan te sluiten. Hij breekt de kast van de hoofdschakelaar open om te speuren of er nog een illegale aftap mogelijk is. Maar tevergeefs, er is geen vonkje stroom meer te bespeuren. (Na de oorlog zal blijken dat de buren wel de hele hongerwinter aangesloten bleven maar dit angstvallig verborgen hielden!)

IJsbrand gaat gelijk eens proberen buitenshuis te eten in hotel Americain. Hij heeft gehoord dat ze daar via de zij-ingang maaltijden verstrekken voor één gulden. Hij is die dag eerst naar de Openbare Bibliotheek gegaan op de Keizersgracht en heeft daar nog een paar boeken over filmtechniek geleend. Dat kan hij ondanks de kou niet laten. Hij kijkt ze in terwijl hij tussen de sombere menigte zit te wachten op zijn beurt. De boeken zijn technisch en ingewikkeld. Wat is die vreemde fascinatie voor iets dat zo onbereikbaar is? Een vlucht? Het halfgare eten heeft hij gauw op. Als hij naar huis terugkeert heeft hij nog trek.

De dagen beginnen al te lengen in november. Moes schraapt nog een mager inkomentje bijeen, maar veel costumière werk is er niet meer. Gemeentediensten functionneren nauwelijks meer. Trams rijden op halve snelheid. Het water in de grachten wordt niet meer op peil gehouden. Daarom stijgt het bij regenval zo hoog dat zelfs grondwater in het souterrain door de vloer opborrelt en plassen vormt. Ze verspreiden een onaangename muffe lucht in het hele huis. (IJ zal jaren later aan asthmatische bronchitis sterven!)

Flanderijn is één van de laatst verworven vrienden van IJ die nog wel eens langs komt om zijn verhalen te spuien. Hij heeft een pensionbedrijf aan de Vossiusstraat 44. Zijn vrouw werkt zich de naad uit het lijf om het bedrijf aan kant te houden. Bovendien heeft ze een achtjarig zoontje George te verzorgen. Bij zijn bezoeken pleegt Flanderijn op te snijden over zijn snaakse avonturen met de vrouwtjes en hoe hij zijn huurders aanpakt. Op een keer roept IJ hem te hulp bij een onwillige huurder. Flanderijn doet dat maar al te graag. De dwarsliggende huurder wordt op de trap ontboden. Na een woordenwisseling geeft Flanderijn hem een stomp in het gezicht. De huurder is daarop snel verdwenen. Kees krimpt in elkaar bij die scenes en houdt er een trauma aan over.

EERSTE TOCHT NAAR DE WIERINGERMEER

Flanderijn brengt wel eens een even vreemd type, Daumiller, mee. Wat de man uitspookt weet niemand precies, maar er wordt gefluisterd dat hij schilderijen smokkelt naar Duitsland. Bij een van die bezoeken komt het onderwerp voedsel halen uit Noord-Holland ter sprake. IJsbrand zou dat wel eens willen proberen. Daumiller ook, dus besluiten ze samen te gaan.

IJsbrand moet op dezelfde fiets gaan waarmee hij uit Deventer is gekomen. Zoals te verwachten is springt onderweg al gauw weer een band. Nu staat IJsbrand er alleen voor. Handig blijkt hij niet te zijn in het plakken. Bovendien heeft hij nu geen goedwillende fabrieksemployé achter zich, maar een op eigen gewin uitzijnd duister figuur die al gauw zijn geduld verliest en hem zelfs begint te jennen. Er ontstaat een woordenwisseling. Tot zijn eigen verwondering barst IJsbrand in tranen uit, zo miserabel voelt hij zich.

Hun wegen scheiden zich. Het is de laatste keer dat hij Daumiller ziet. De tocht gaat nu alleen verder. Tegen de avond belandt hij in de Wieringermeerpolder. Daar mag hij bij een boer voor ƒ 1,50 in de schuur slapen. Hij blijkt niet de enige te zijn. Er liggen wel twintig Amsterdammers in het hooi. Hij kijkt gefascineerd naar een stel nogal goedgeklede jongens, waarvan één nog de tijd weet te vinden om zijn nagels schoon te krabben. IJsbrand kan moeilijk in slapen vallen door het geklets om hem heen. Een stel Amsterdamse arbeiders doen een boekje open over het rauwe leven in Amsterdam. Nadat Colijn over de hekel wordt gehaald en het doordraaien van groenten voor de oorlog, komt de afdeling sterke verhalen. Eén vertelt over werk bij laaiende gloeiendhete staalfabricatie inrichtingen. Een arbeider struikelt, loopt derde graads brandwonden op en wordt aan benen en voeten voor de gloeiende oven gehouden. Het einde van het verhaal dringt nauwelijks meer tot IJsbrand door. Hij is in slaap gevallen.

Hongertochters van het eerste uur, die nog over fietsen beschikten.

De volgende morgen voelt hij zich heerlijk opgefrist en opgewekt gaat hij boeren langs om voedsel te kopen. Het lukt hem om een pondje rogge te kopen. Hij loopt langs een weg met boerderijen aan beide zijden. Het is zonnig weer. Een bijzondere stemming maakt zich van hem meester. Bij een boerin krijgt hij een paar boterhammen toegestopt. Hij kan ook veel groene kool kopen. Het lekkerste wat hij weet te bemachtigen is een echt wittebrood. Hij is nu op de terugweg. Zijn band is nu zo vaak gesprongen dat hij zich niet meer de moeite doet om hem te plakken. Hij loopt met tassenvol kool aan het stuur.

"Hé, jongen, gooi toch die boel op mijn kar. Dan duwen we die samen naar Mokum." , klinkt het plotseling naast hem. Het is een sjofele kerel met een niet al te gunstige tronie, maar wel in het bezit van een handkar. IJsbrand aarzelt maar denkt niets te kunnen verliezen. Hij tilt zijn fiets op de kar en samen duwen ze die verder. Ze lopen zwijgend in een hele file terugkerende mensen. De één heeft een fiets bij zich, de ander een kinderwagen, hoog opgestapeld met eetwaren, weer een ander een karretje op wieltjes met allerlei zakken er op.

Arie, zijn metgezel, herkent iemand die uit de tegenovergestelde richting komt, ook met een handkar. Ze smoezen wat samen. IJsbrand prent het adres van de stalling die op een bordje op de kar van die kennis staat goed in zijn hoofd. Na uren lopen zijn ze bij Amsterdam beland. Hier moest je oppassen want er waren wel mensen van de landwacht bezig om levensmiddelen en fietsen te confisceren. Ze hebben geluk en belanden bij de pont. Als ze over het IJ varen zegt Arie:

"Weet je wat? Als jij nu eens met je fiets naar mijn vrouw toe reed. Die weet niet dat ik zo gauw thuis kom en anders schrikt ze zo. Je laat gewoon je spullen op mijn kar, dan is het licht fietsen, zelfs op kapotte banden." IJsbrand is argwanend, neemt toch nog het wittebrood en de rogge mee en fietst naar huis. Daarna onmiddellijk naar het opgegeven adres in de Jacob van Lennepstraat vlak in de buurt. Als hij aanbelt wordt er met een touw de deur opengetrokken. Hij schreeuwt zijn boodschap naarboven."Maar ik ken geen Arie" klinkt het terug.

In het hele huis blijkt geen Arie te wonen. IJsbrand keert dadelijk naar huis terug om te zien of Arie daar inmiddels is aangekomen met zijn spullen. Nee, die komt natuurlijk niet opdagen. IJsbrand is hoogst verontwaardigd en bedenkt dat hij behalve het verzonnen adres niets afweet van de bedrieger. Dan schiet hem het adres door het hoofd dat hij heeft zien staan op de kar van de kennis van Arie. Hij loopt naar de Jordaan en vindt daar inderdaad een verhuurbedrijfje van karren. Zij zijn zo vriendelijk hem het adres op te geven van een persoon die mogelijk die kar heeft gehuurd. Het is niet zo ver daar vandaan dus IJsbrand gaat er dadelijk heen. De bel wordt beantwoord door een snauwende stem. Als hij de trappen opklimt naar de zolderverdieping staat hij tot wederzijdse verbazing oog in oog met Arie. Die smijt de deur dicht en houdt die gesloten.

IJsbrand loopt nu wel over van verontwaardiging. Hij is dan wel door louter toeval aan het adres van Arie gekomen, maar dat helpt hem ook weinig. Dan maar de politie erbij halen. Op het buro Singel bij de Munttoren hoort een rechercheur zijn verhaal aan. Tot zijn verbazing laat die al zijn werk vallen om er werk van te maken. Hij roept er een kollega bij en samen gaan ze naar het adres van Arie. Daar wordt niet opengedaan, maar wel door de buren. De rechercheurs vliegen de trappen op, gevolgd door IJsbrand. Arie wordt vanuit de gang gesommeerd de deur open te maken, maar geeft geen krimp. Met een welgemikte trap vliegt de deur open en zien ze nog net de schim van Arie door het zolderraam verdwijnen. De zakken met groenten van zowel IJsbrand als Arie liggen her en der over de kale zolderkamer verspreid. De rechercheurs bedenken zich geen ogenblik en grijpen alle eetwaar bij elkaar. Als ze op straat staan biedt IJsbrand hun een zak met witte kool aan. Het wordt gretig geaccepteerd. IJsbrand komt triomfantelijk met de rest thuis.

TWEEDE HONGERTOCHT NAAR DE VELUWE

Noodkacheltje

Het duurt niet lang of de vangst is in de hongerige magen verdwenen. Het is eind november en het ziet er niet naar uit dat een spoedige bevrijding in zicht is. Het Arnhem offensief is vastgelopen. De toestand wordt steeds nijpender. De kachel kunnen ze nauwelijks meer stoken. Kolen hebben ze niet meer. Ze hebben nog wel ballen gekneed van een papje van alle aanwezige kranten en spullen die brandbaar zijn. Na droging branden die nog wonderwel in een noodkacheltje, maar gaan kort mee.

Plannen worden nu gesmeed voor een nieuwe hongertocht. Ditmaal zullen Thea en Kees meegaan. De bonkaarten zullen ze achterlaten. Pa, die nauwelijks meer op straat kan lopen, zal verzorgd worden door Tine. Zij zal de vier-dubbele porties van de gaarkeuken halen en kan dan ook meeëten. Veel soeps is dat ook niet, tulpenbollensoep. De nichtjes en hun moeder hebben het bar slecht. Van het kleine inkomentje kunnen ze zich niets extra's permitteren. Tine verkoopt zelfs de levertraandruppels die haar worden voorgeschreven. Ze koopt er in plaats voedsel voor waar ze allen wat aan hebben.

Bij het krieken van de dag in december '44 gaat het drietal op pad, gewapend met koffers en rugzakken met een minimum aan kleren. Ze hebben hun beste schoenen opgelapt. Stukken drijfriem blijken uitstekende, doch onbuigzame, schoenzolen. Het lopen valt lang niet mee en ze schieten maar weinig op. Voorbij Diemen lopen ze langs de snelweg, waarop ook al nauwelijks meer verkeer rijdt. Bij de eerste de beste boerderij gaat IJsbrand al om een boterham bedelen, maar wordt niet opengedaan.

's Avonds laat komen ze uitgeput bij tante Rens in Blaricum aan. Daar worden ze gelukkig hartelijk ontvangen en krijgen een maaltijd. Tijdens het eten zegt tante Rens te hopen dat het spoedig beter zal worden. "Maar", zegt ze vermanend, "we mogen natuurlijk nooit ons overeten!" Het is een opmerking waarvan de porté nauwelijks tot hen doordringt. Aan tafel zit ook een meisje. Na de oorlog horen ze dat ze Joods was en er ondergedoken zat.

Hongertochten. De gelukkigen beschikken nog over een fiets, anderen huren een kar. Deze foto moet nog voor de winter genomen zijn, gezien de kleding.

De volgende dag bereiken ze de Veluwe. Daar worden de boeren scheutiger. Ze hebben meer oor voor IJsbrand's smeekbeden om een boterham. Hij kan op het laatst geen boterham meer zien, maar verzint steeds smoesjes om ze mee te nemen naar zijn moeder en Kees die op een afstand staan te wachten. IJsbrand heeft een heel toneelspel ontwikkeld. Ze laten het bedelen helemaal aan hem over.
Ze overnachten bij Barneveld. Er is daar een Rode Kruispost in een school ingericht. In de gymnastiekzaal is hooi uitgestrooid om in te liggen. Het is overvol. Over zijn toeren schreeuwt de toezichthouder: "Mag ik u vriendelijk verzoeken de toiletten schoon te houden? Waarom moet u er zo een troep van maken? De toiletten zijn nu al een smeerboel." In de kou en ondervoeding konden velen niet meer hun blaas onder kontrole houden, noch hun ontlasting ophouden na een maaltijd. Voordat ze het wisten liepen ze al leeg voor de plaats van bestemming. De toiletten waren dan ook een zwijnenstal.

Later gaan ze met een bord in de rij staan. Uit een ketel krijgen ze een grote schep erwtensoep met worst en roggebrood. Het smaakt heerlijk. Daarna strekken ze zich vermoeid in het hooi uit. Naast IJsbrand komt een man te liggen met een aantal jongetjes. Hij begint een gesprek: "Ach, ik ben een soort pleegvader voor die jongens. Ik zorg zo dat ze wat te eten krijgen, hè. Ik heb een zoon gehad die er net zoals jij uitzag, maar die is overleden. Ik hield zo zielsveel van hem." Tegelijkertijd voelt IJsbrand een hand over zijn been glijden. Hij duwt hem weg, draait zich om en slaapt in.

De volgende dag gaan ze verder de Veluwe op. Ze weten nu bij boeren hier en daar rogge, tarwe en zelfs eieren en spek te kopen. Ze belanden zonder dat ze daar goed besef van hebben, want alle media zwijgen, dichtbij de frontlinie bij Arnhem waar een veldslag aan de gang is. Ze vragen daar op goed geluk om een slaapplaats in de buurt van Dieren. In een villa wordt hun hoffelijk onderdak aangeboden. Ze vermoeden al spoedig dat de bewoners fout zijn. Ze stemmen desalniettemin toe een pakketje levensmiddelen voor een familielid mee te nemen in Amsterdam. IJsbrand levert dat onnozel na terugkomst op de Overtoom naast zijn kleuterschool af en wordt daar natuurlijk enthousiast ontvangen.

's Nachts horen ze angstig V1 en V2 raketten overvliegen, richting Engeland. Het luidst zijn wel de lanceringen van de vliegende bommen gevolgd door een angstige stilte. Soms klinkt een explosie na een mislukte start. Dan krijgen de duitsers een koekje van eigen deeg.

De volgende dag komen ze terecht bij een familie van de Apostolische kerk. Ze hebben een soort van hotel/pension. Er wordt zwaar voor hun behoud gebeden aan tafel alvorens op het heerlijke avondeten aan te vallen. Daarna kruipen Thea en haar kinderen voldaan in het grote bed en zijn in een oogwenk onder zeil. De volgende dag vertrekken ze. Als IJsbrand de rugzak op zijn rug zwiept klinkt er een doffe plof in de paraplu standaard. Er is een ei in terechtgekomen. Ze kunnen het niet opbrengen om iets te zeggen.

Ze zijn nu op de terugweg. De koffers zitten nu vol met levensmiddelen. Met elke stap die ze ermee verzetten lijken ze zwaarder te worden. Om de zoveel honderd meters moeten ze gaan zitten om uit te rusten. Ze zijn toch al niet zo sterk en Kees is nog geen twaalf jaar oud. Ze belanden in een huisje van twee zusters. Die vertellen dat ze als naaisters uit gingen werken. Ze worden er voor Thea's begrippen schandalig laag voor betaald. Eén gulden per uur. Zij kan er het zwijgen niet toe doen en vertelt hoe zij dat zelf aanpakt in Amsterdam. Daarna wordt het onderwerp Theosofie aangesneden. Ze zitten als Jehova's Getuigen op hun praatstoel daar bij het kaarslicht, want ook de Veluwe is van stroom verstoken. Iedereen is nieuwsgierig naar hoe het er in het land aan toegaat.

Dan gaan ze naar bed op de ijskoude zolder. Ze hadden tegen die tijd geleerd dat je moest zorgen dat je je plas kwijt moest kunnen. Als er geen po was waren ze teneinde raad, want ophouden konden ze het nauwelijks. Vaak bleek die ook te klein. Dit keer kan IJsbrand het niet op houden en "doet" het in de lange onderbroeken die hij van zijn vader mee heeft genomen tegen de kou. Aangezien hij geen verschoning meer heeft hangt hij ze voor de kachel de volgende morgen te drogen. Het wordt hem niet in dank afgenomen. De uitgelaten stemming van de avond tevoren is radicaal omgeslagen. De verhalen van Moes blijken niet goed gevallen te zijn. Na afgerekend te hebben verdwijnen ze zo spoedig mogelijk.

Zwarte markt

De thuiskomst in Amsterdam is opgetogen. De oude IJ voelde zich hulpeloos en verlaten in hun afwezigheid. De tocht heeft een behoorlijke deuk in hun financien opgeleverd. Besloten wordt het stuk spek dan maar te verkopen. IJsbrand gaat naar de Elandsgracht, waar op de hoek van de Hazenstraat een centrum van zwarthandel was. Hier werd b.v. een mud aardappelen voor ƒ 800 verkocht. Hij hoort al gauw: "Heb je wat?" gemompeld door een groezelige vrouw. "Een stuk spek"
"Mot je er voor hebben? "Honderd gulden", waagde IJsbrand te noemen. "Kom mee". Ze troonde hem mee naar een huisje op de hoek van de Lijnbaanstraat. In het duister werd snel de transactie gesloten.

Het feest met de meegenomen spullen duurt niet lang. Ze kunnen eigenlijk wel dag en nacht dooreten. Hun hele denken wordt er door beheersd. IJsbrand's lievelingsliteratuur zijn vooroorlogse kookboeken. Hij watertandt als hij de gekleurde illustraties van taarten ziet in een receptenboekje van Dr. Oetker. Trouwens hij bakt nu ook pannekoeken zelf. Eerst wordt de tarwe, of rogge, in de koffiemolen vermaald. Doperwten, de laatsten uit Deventer, worden als rijst gegeten. De maaltijd is het hoogtepunt van de dag. Ze smullen van alles, zelfs van soep van tulpenbollenmeel.

Wachtend bij de gaarkeuken

De kou is een probleem. Ze kunnen niet meer gewoon stoken, alles hebben ze al opgestookt. Er ligt sneeuw op straat. IJsbrand gaat er met een slee en wat gereedschap op uit om te zien of hij niet ergens wat weg kan zagen. Eerst naar de Jodenbuurt, maar daar blijkt het hout al uit de slooppanden verdwenen te zijn. Hij moet onverichterzake terugkeren. Er is geen stukje brandbaar materiaal meer te bemachtigen. De parken zijn uit voorzorg gesloten.

DERDE HONGERTOCHT NAAR DE ACHTERHOEK

Tine heeft met rode oortjes de verhalen van de laatste tocht aangehoord en zou er zelf wel eens op uit willen gaan. Noes durft zoiets niet aan. Haar moeder ook al niet want ze wil Noes niet alleen achterlaten. Tante Thea blijkt altijd wel voor een avontuur te porren. Ze besluit om samen met Tine op pad te gaan. De jongens zullen nu achterblijven om voor hun Pa te zorgen.

Ze gaan op 15 december van start, ieder op een fiets met houten banden. Het gaat maar heel langzaam, zodat ze niet verder dan Blaricum komen. Ze overnachten daar bij tante Rens. De dag daarop is het zondag. Het geratel van hun houten banden klinkt oorverdovend in de nauwe straatjes. De zondagrust van Spakenburg is grondig verstoord.

Tenslotte bereiken ze Putten. Daar horen ze dat alle mannen in oktober na de aanslag op Rauter waren weggevoerd. Men heeft niets meer van ze gehoord. Er heerst een angstige spanning. Een achtergebleven vrouw biedt hun desondanks toch nog heerlijke koffie met een nog groter traktatie: roomboter cake, aan. Ze smullen en hadden wel de hele cake willen opeten.

De volgende nacht brengen ze door in de Rode Kruispost van Harderwijk. Een vrouw die het voedsel daar uitdeelt is erg aardig en raadt Tine aan zich nog maar eens achter de rij aan te sluiten als ze haar portie op heeft.

Via Zwolle gaat het nu de Achterhoek in, richting Ommen. Ze zijn niet alleen. Hele drommen Amsterdammers trekken met hen zwijgend voort in een treurige stoet. Sommigen hebben nauwelijks meer schoeisel. Kinderwagens, karren, karretjes, alles wat maar als transportmiddel kan dienen wordt meegesleept. Eenmaal over de IJsel wanen ze zich in luilekkerland. Sommigen doen zich zo te goed aan overvloedige vette maaltijden dat ze er in blijven. Thea en Tine weten kilos tarwe en rogge te bemachtigen. Meestal worden ze vriendelijk onthaald, maar één boer heeft hun van de deur weggestuurd op Kerstnacht.

Geruchten gaan onder de trekkers de ronde dat er 's avonds een trein vanuit Zwolle naar Amersfoort zal vertrekken. Daar gaan ze op af. Op het station is het een tumult. De fiets en de regenjas van Tine worden in het gedrang gestolen. Toch bemachtigen ze een plekje op een geheel open wagon. Op de IJselbrug wordt gestopt. Mannen die als vrouw verkleed in de trein zitten worden eruit gepikt en meegenomen. (Iedere man die werken kon moest over een ausweis beschikken, wilde hij niet opgepakt worden.) Stapvoets gaat het daarna verder de diepe nacht in. Het vriest dat het kraakt. Een Duitse soldaat is zo vriendelijk hun een deken te lenen. Hoe ze het overleven weten ze niet, maar tegen het krieken van de dag bereiken ze station Amersfoort. Daar wacht hun een nieuwe verschrikking, een razzia op mannen.

Thea en Tine verbergen zich ook maar in de buffetten van de restauratie. Er komen landwachten voorbij die met bajonetten door de deurtjes steken. Gelukkig niet in de hunne.

Vanuit Amersfoort kunnen ze daarop een trein pakken naar Utrecht. Tine heeft fijt, een etterige ontsteking, aan haar tenen opgelopen. Het doet geweldige pijn. Ze kan alleen nog maar voortstrompelen. In Utrecht doet zich eenzelfde voorval voor als op IJsbrand's vorige tocht. Een man biedt aan om hun met zijn handkar naar Amsterdam te brengen. Tine moet de zak tarwe bij iemand achterlaten. Hij zal die dan de volgende week in Utrecht ophalen en in Amsterdam langs komen brengen.

Inmiddels wordt er in Amsterdam in angstige spanning op hun terugkomst gewacht want ze blijven langer dan verwacht weg. Ze zijn niet in de stemming om Oud- en Nieuw te vieren. Op Nieuwjaarsochtend klinkt er gebons op de voordeur van de van Lennepkade. Tine en Thea strompelen binnen, gevolgd door het figuur dat hun vertrouwen had weten te winnen. Zelfs IJ valt aan zijn handige smoesjes met zoetgevoosde stem ten prooi, vooral als hij belooft regelmatig eten langs te komen brengen. Overladen met geschenken wordt hij weggewuifd. Het is het laatste wat ze van hem en hun spullen zullen zien.

Dagboekbladzijde van Nieuwjaarsdag 1945

IJsbrand schrijft als allerlaatste stukje in zijn dagboekje op:
"1 januari 1945: Veel drukte 's morgens met Moes, Tinie en de man die ze naar huis bracht. Eten lekker roggebrood en besteden de hele morgen aan het verdelen van de meegebrachte waren. Om tien uur ging die mijnheer weg. Om 12 uur bracht ik Tinie weg naar Omoe, waar we een uur over deden. Tinie's voeten vol blaren, fiets en regenjas gestolen. 's Middags gaarkeukeneten met roggebrood met vlees. 's Avonds van de heerlijke vleesjus gesmuld. Pudding, klop-op, zuur slaatje, restantje pannekoeken. We smulden!
2 Januari 1945. 's Morgens roggebrood met jam. Hadden zo'n honger dat we een heel brood opaten en ook nog het gaarkeukeneten. Nog honger! 's Avonds weer gesmuld van het vlees, klop-op, pannekoeken.
3 Januari 1945. 's Morgens roggepap. Koken de suikerbiet in die we gisteren geraspt hebben."



Voorgaand:

  • Introductie tot 'de Werelden van IJsbrand'

    Vervolg:

  • Naar Friesland 1945
  • De bevrijding 1945 - 1949
  • Hoe liep het met mijn familie, vrienden en kennissen af? Een persoonsregister.
  • Website van Cornelius (Kees) Rogge
  • Website IJsbrand Rogge
  • Site gewijd aan de hongerwinter
  • De hongerwinter in de Rivierenbuurt

  • Op het web sinds begin 2005. Laatst bijgewerkt 10 oktober 2017.


    Uw herinneringen gevraagd

    Heeft u nog herinneringen/foto's/films uit deze tijd ?
    Ik zal ze graag van u horen/zien. Email naar manandu @ xs4all.nl, maar laat de spaties in het adres weg, (die zijn daarin gezet om spam te voorkomen), of zet een bericht in mijn gastenboek (klik hier). Zou je je email adres (eventueel in verbasterde vorm vanwege spam) erbij willen zetten? Dan kan ik eventueel reageren.